Nieuws


Uit de kunst 2 – Mahler artikel

Amicae amicique,

Onder deze titel wil ik drie afleveringen schrijven, waarin ik kort de negen symfonieën van Gustav Mahler bijlangs ga. Mahler is een van de grootste componisten uit de laatromantiek en zijn werken zijn de vervolmaking van het symfonische concept van Beethoven. Waar hij tijdens zijn leven vooral bekend stond als buitenklasse dirigent, kennen wij hem voornamelijk door zijn grootse symfonieën. Elke aflevering zal 3 symfonieën beschrijven. Deze aflevering de symfonieën 4-6. Mocht u deze werken willen luisteren, trekt u er dan rustig een uur of langer voor uit. Aan het einde staat wederom een gedicht. 

Symfonie 4

De vierde symfonie is waarschijnlijk een van de meest toegankelijke symfonieën van Mahler. Makkelijk in het gehoor liggende harmonieën en een duidelijk herkenbare vorm. Het is een van de symfonieën die het meest terugkijkt op de werken van klassieke voorgangers. Je zou het werk een kinderlijke vertrouwelijkheid kunnen toekennen. Het werk heeft een bijzonder kleine instrumentatie. Trombones en tuba zijn afwezig en het orkest is behoorlijk uitgedund. Je zou de symfonie een ‘humoresque’ kunnen noemen. 

Het eerste deel opent met repeterende akkoorden in de fluiten met daarbij schelringen die het geluid nabootsen van het rinkelen van belletjes aan het tuig van paarden. Er wordt een typisch landschap geschetst door de rijke melodieën en de kleur in de instrumenten. We reizen met de koets mee en passeren diverse scenes. Diverse thema’s passeren de revue, de een wat speels, de ander iets lyrischer. Het openingsthema is ontleend aan een deel uit ‘Des Knaben Wunderhorn’ en wel ‘Das himmlische Leben’. De instrumentatie is afwisselend genomen. We horen diverse combinaties van instrumenten, passend bij de sfeer van ieder thema. Zoals we bij Mahler gewend zijn weet hij de diverse melodieën te combineren en te verdraaien. De motieven uit het ene thema worden gebruikt ter begeleiding van het andere. Soms wordt uit een dergelijk motief een nieuwe melodie gefabriceerd. Door deze manier van werken valt het deel niet uit elkaar, maar houdt het een sterk onderling verband. Een verband dat het deel wel nodig heeft. Het ene thema is zeer gearticuleerd en doet achttiende-eeuws aan, terwijl er ook zangerige romantische thema’s zijn die een mooi breed legato vereisen. Dat Mahler deze thema’s op een 

De symfonie begint dus redelijk zorgeloos met weidse landschappen en typische scènes. Die sfeer verandert in het tweede deel. Mahler beeld hier een soort dodendans uit. De solo-viool gebruikt hij hierbij op een wel heel inventieve manier. Hij maakt gebruik van de scordatura techniek. Dat is een techniek waarbij de viool anders wordt gestemd dan gebruikelijk. In dit geval laat Mahler de violist iedere snaar een toon hoger stemmen, dit heeft tot gevolg dat er meer spanning op de snaren staat en dat de klank scherper en puntiger wordt. De viool beeldt met dit minder mooie geluid ‘Freund Hain’ uit. In Nederland kennen wij deze figuur als ‘Magere Hein’, een skelet dat in Mahlers geval dus de viool bespeeld en de dodendans leidt. Mahler heeft dit idee overgenomen na het zien van het schilderij ‘Selbstbildnis mit fiedelndem Tod’ van Arnold Bocklin, hieronder weergegeven.

Het schilderij komt uit 1872 en Mahler kreeg dus het idee dit wel heel eigenaardige schilderij in muziek te verwerken. Het was zijn vrouw Alma die meedeelde dat dit schilderij ten grondslag lag aan dit deel. Deze vioolspelende ‘Magere Hein’ geeft een bijzondere kleur aan het werk. Het is namelijk niet een hele typische dodendans. Zeker zijn er ook lugubere elementen, maar deze overheersen niet per sé. Verschillende luchtiger, soms lyrische thema’s komen voorbij. Deze luchtiger thema’s zijn de werkende kunstenaar, die met zijn penseel kleur wil aanbrengen op het doek. Mahler zou Mahler echter niet zijn als hij ook hier niet wat gaat combineren met thema’s en karakters. Zo laat hij bijvoorbeeld de luchtiger thema’s soms vergezeld gaan van een onheilspellend achtergrondmuziekje. Natuurlijk om dat ironische beeld te verklanken van de werkende kunstenaar, ondersteund door het skelet op viool. De gedachte natuurlijk is dat de dood altijd het leven vergezelt en altijd op de achtergrond aanwezig is. 

Het derde deel vormt dan de rol van een meditatief moment in de symfonie. Het is het langste deel van het werk. Het is een plechtige processiemars in variatievorm. De thema’s zijn bijzonder lyrisch en het tempo is zeer langzaam. Het stuk opent echter niet als thema met variaties. De variaties verschijnen later pas in het deel. Eerst komt het tweede thema nog langs en daarna enkele motieven uit het thema. Mahler laat in dit deel zien wat hij kan met een thema en orkestratie. We horen het thema in diverse ritmen en in diverse sferen. Dit deel doet erg denken aan het eerste deel met de weidse landschappen. Je zou kunnen zeggen dat waar we in het eerste deel de wereld te zien kregen vanuit de koets, dat we haar in dit deel te zien krijgen vanuit de lucht. Soms strakblauw, soms een beetje bewolkt. Na een climax met pauken en koper, als een overwaaiende storm, gaan we terug naar de rust uit het begin. De stille verwondering van alle schoonheid op aarde. 

In het vierde deel verplaatsen we de blik van de aarde naar de hemel. Dit deel maakt gebruik van het, al eerder genoemde, lied ‘Das himmlische Leben’ uit ‘Des Knaben Wunderhorn’. Het is echter niet in deze bundel opgenomen, omdat het al georkestreerd was. Dit deel was eerst gedacht aan het einde van de derde symfonie, maar Mahler heeft de keuze gemaakt om deze symfonie over de schoonheid van het leven en de natuur ermee te verrijken. We horen weer de bekende thema’s en schelringen uit het eerste deel, wel lichtelijk aangepast. De thema’s bijten nu iets meer, mede geholpen door het zeer korte tijdsbestek waarin zij passeren Ze fungeren als korte intermezzi tussen de tekststrofes, ze stellen de naïeve tekst in breder perspectief. De tekst gaat over hele aardse zaken die in de hemel nog beter zullen zijn, zoals de wijnprijs. De begeleiding van het lied is op Schubertiaanse manier geschreven. De muziek past zich volledig aan de tekst aan. De muziek verklankt de tekst letterlijk, zo wordt de tekst dus dubbel ten gehore gebracht, door de zanger en door het orkest.   

De tekst:

Wir genießen die himmlischen Freuden,
d’rum tun wir das Irdische meiden!
Kein weltlich’ Getümmel
hört man nicht im Himmel!
Lebt Alles in sanftester Ruh’!

Wir führen ein englisches Leben!
Sind dennoch ganz lustig daneben!
Wir tanzen und springen,
wir hüpfen und singen!
Sankt Peter im Himmel sieht zu!

Johannes das Lämmlein auslasset!
Der Metzger Herodes drauf passet!
Wir führen ein geduldig’s,
unschuldig’s, geduldig’s,
ein liebliches Lämmlein zu Tod!
Sankt Lucas den Ochsen tät schlachten
ohn’ einig’s Bedenken und Trachten!
Der Wein kost’ kein Heller
im himmlischen Keller!

Die Englein, die backen das Brod!
Gut’ Kräuter von allerhand Arten,
die wachsen im himmlischen Garten,
gut’ Spargel, Fisolen
und was wir nur wollen,
ganze Schüsseln voll sind uns bereit.
Gut’ Äpfel, gut’ Birn’ und gut’ Trauben!
Die Gärtner, die alles erlauben!
Willst Rehbock, willst Hasen?
auf offener Straßen sie laufen herbei!

Sollt ein Fasttag etwa kommen,
alle Fische gleich mit Freuden angeschwommen,
dort lauft schon Sankt Peter
mit Netz und mit Köder
zum himmlischen Weiher hinein!
Sankt Martha die Köchin muß sein!

Kein’ Musik ist ja nicht auf Erden,
die unsrer verglichen kann werden.
Elftausend Jungfrauen
zu tanzen sich trauen!
Sankt Ursula selbst dazu lacht.
Kein’ Musik ist ja nicht auf Erden,
die unsrer verglichen kann werden.
Cäcilia mit ihren Verwandten
sind treffliche Hofmusikanten!
Die englischen Stimmen
ermuntern die Sinnen!
Daß Alles für Freuden, für Freuden erwacht!

Symfonie 5

De vijfde symfonie brengt ons bij een nieuw soort symfonie in Mahlers oeuvre. We nemen afscheid van de Wunderhorn-symfonieën en gaan met Mahler opzoek naar nieuwe vormen. De vijfde symfonie laat, in vergelijking met de voorgaande symfonieën, een grotere dichtheid qua orkestratie zien. Mahler heeft in deze symfonie behoorlijk geworsteld met de orkestratie, dat is te zien aan de vele omwerkingen. Het model van de vijfde symfonie is ook wat samenhangender dan in de eerste vier symfonieën. Tussen de delen heerst wat meer onderling verband. De natuurmotieven zijn er nog steeds, zij het dat zij zich anders gedragen dan in de eerste symfonieën. Waar voorheen elementen een soort eilanden vormden in het geheel, wordt in deze symfonie juist het onderlinge verband benadrukt. De symfonie is opgedeeld in drie grote delen en bestaat uit vijf kleinere delen. Mahler schreef zelf over deze symfonie het volgende: ‘Het romantische en mystieke zul je er niet in aantreffen. Het enige wat telt is dat er een ongehoorde kracht wordt uitgedrukt. Het is de mens in al zijn glorie op het hoogtepunt van zijn leven’.

Het eerste deel van de symfonie is een treurmars. Samen met het tweede deel, vormen deze delen het eerste gedeelte van de symfonie. Het stuk begint met een trompetmotief als soort attentie voordat de mars begint. De eenzaamheid van de trompettist eindigt in een groots akkoord, waarna de mars begint met motieven uit de openingen. De mars heeft een rustige slag en beweegt zich heel natuurlijk langs de diverse instrumenten en motieven. De vorm is een typische sonatevorm waarin zowel het begindeel als het deel dat daarop volgt weer terugkomen, om dan te eindigen met hectisch slot waarin weer helemaal wordt afgebouwd. Direct valt in dit deel op dat de verschillende karakters niet los van elkaar staan, maar een sterke samenhang vertonen. 

Het tweede deel opent met een motief gelijkend op dat van het eerste deel. De lyrische melodie die na de opening verschijnt wordt begeleid door repeterende akkoorden met een oplossing. De begeleiding wordt gespeeld door diverse instrumentgroepen, wat duidelijk maakt dat de grenzen tussen instrumenten verdwenen zijn en dat een muzikale lijn door diverse stemmen heen geweven kan worden. Bijzonder is dat ook hier weer naar het minimale wordt toegewerkt. De celli verschijnen solo begeleid door pauken, na dit solomoment wordt er weer een crescendo opgebouwd door toevoeging van instrumenten en door verkorting van thema’s. Een echt hoogtepunt blijft uit, maar het lyrische thema keert terug. Hierna verschijnt een soort dans, die zeer opzwepend werkt. Doch de dans was maar een korte opwelling, we zijn direct weer terug bij de thematiek aan het begin van dit deel, later gecombineerd met het tweede lyrische thema. De voortgang in dit deel is enorm, ook de dichtheid waarin thema’s elkaar opvolgen en motieven tegenover elkaar worden gezet is onnavolgbaar. Bijzonder is dat dit alles passeert zonder de lijn uit het deel te halen. Het deel eindigt in een majestueus slotkoraal en daarna een kort coda. 

Het derde deel is een levendig scherzo. Dit deel vormt in zijn eentje het middendeel van de drie delen van de symfonie. In het scherzo ontwikkelen diverse thema’s. De een gelijkend op een wals, de ander op een typische Ländler. Het scherzo begint met een luchtig thema in de hoorns, hier wordt op gereageerd door de andere blazers en de hoge strijkers, dit weer opgevolgd door een pingpongspelletje tussen blazers en strijkers. Het ge-pingpong in dit deel blijft de hele tijd doorgaan. Het zorgt voor een levendige sfeer, zelfs in de rustige delen. Diverse combinaties komen langs en geven een nieuwe draai aan het stuk. Thema’s worden ontwikkeld en opgebroken om te zorgen voor nieuw materiaal. Diversiteit is een woord dat dit deel mooi omschrijft. Het scherzo eindigt met een virtuoos slot, ontwikkelend vanaf de strijkers. Het einde wordt gekenmerkt door twee korte fortissimo klappen. 

Het vierde deel is zonder twijfel een van Mahlers meest beroemde stukken. Volgens eigen zeggen schreef hij dit deel als liefdesbrief aan Alma Schindler. Hij liet er ook een gedichtje bij achter:

Wie ich Dich liebe, Du meine Sonne,
ich kann mit Worten Dir’s nicht sagen.
Nur meine Sehnsucht kann ich Dir klagen
und meine Liebe, meine Wonne!

De vrouw met wie hij later trouwde. Het deel begint met harparpeggio’s begeleid door strijkers. Daarna duikt het thema op in de hoogste strijkers. Langzaam ontstaat het uit het bedje van arpeggio’s en lage strijkers, een thema dat door deze opzet ontzettend veel aan schoonheid in opzet en klank wint. Het is een deel dat de mens optilt boven het aardse en hem brengt naar het Hemelse. Het is de liefde die een hoge vlucht neemt en een brug slaat tussen twee mensen.

Het vijfde deel is een deel dat ons weer terug op aarde zet. Het is een ronde en een waar meesterstuk. Op contrapuntisch gebied gebeurt er ontzettend veel en ook hier weer is de instrumentatie van het hoogste niveau. Het stuk opent met hobo, fagot, hoorn en violen, een niet alledaagse combinatie. Na deze opening volgt een soort sonate-achtig deel, dat een prelude blijkt voor een fuga met behoorlijk virtuoos gekozen thema, afgeleid van het preludethema. Deze dichtheid van vormen en uitwerking is bijzonder te noemen. Het contrasubject wordt naast het fugathema ook schitterend uitgewerkt en is opgebouwd uit motieven van het hoofdthema. Wat Mahler met dit thema kan is te horen in de rest van de rondo, er wordt een lyrisch thema van gebouwd, er wordt een dansje van gemaakt, motieven van het thema dienen als opzwepende opmaat voor weer een nieuw deel in deze rondo. Naar het einde toe wordt de rondo steeds virtuozer en wordt de dichtheid van thema’s steeds groter. In de laatste minuten laat Mahler het orkest weer krimpen om zo een nieuwe opbouw te maken. De opbouw wordt nu nog grootser en massaler en met het koraal tussen alle virtuositeit in heeft het zowel virtuositeit als monumentaliteit. Met een paar korte klappen wordt het einde van deze wervelende rondo gekenmerkt. Meesterlijk in ieder opzicht. 

Symfonie 6 ‘Tragische’

De zesde symfonie is een werk met grootse opzet. De orkestratie is massaal en er zijn een aantal ongebruikelijke instrumenten aanwezig, zoals een grote Sleg voor in het laatste deel, de drie klappen van het noodlot. Naar aanleiding van dit gebruik is een spotprent gemaakt met het opschrift: Mijn God, ik ben de claxon vergeten! 

Nu moet ik wéér een symfonie schrijven. De naam tragische is later aan de symfonie gegeven. Bij de eerste uitvoeringen ontbrak deze titel. Pas vanaf een uitvoering in 1907 in Wenen werd deze titel gebruikt. De symfonie is ontstaan in een tijd dat Mahler nauw contact onderhield met de jonge modernisten in Wenen. Er wordt vaak gezocht naar redenen waarom Mahler dit werk schreef. Het werk is een tweewerking tussen enerzijds symbolische subjectieve veiligheid en anderzijds de structurele beknoptheid. In de symfonie wordt dit kenbaar door het suïcidale depressieve karakter, men probeert hier dan vaak een biografische reden voor te vinden. Mahler deelde zelf het inzicht dat subjectieve authenticiteit en positief geconstrueerde teleologie mogelijk niet altijd een oorzakelijk verband hebben of met zich meedragen. Volgens zijn vrouw Alma draagt de symfonie zeker wel enkele biografische stempels, maar daarover later meer. De symfonie kan ook worden gezien als uitbeelding van het noodlot. Een heldenverhaal, waarbij de held in het slotdeel driemaal wordt getroffen door het noodlot. Zijn vrouw Alma schreef hierover: ‘Toen hij het eerste deel had geschetst kwam hij thuis en zei me: “Ik heb geprobeerd om jou in een thema vast te leggen, of het gelukt is weet ik niet, maar je zult het ermee moeten doen.” In het derde deel schildert hij het a-ritmische spel van onze twee kinderen, die in het zand ravotten. Het derde deel beschrijft zijn ondergang, of, zoals hij het later zei, die van zijn held. “De held wordt driemaal door het noodlot getroffen. De derde keer wordt hij geveld en valt hij om als een boom”.’ De link met de vijfde symfonie is snel gelegd, waar daar de mens wordt uitgebeeld op het hoogtepunt van zijn leven, wordt de mens hier neergezet als een klein wezen, getroffen en neergeveld door het noodlot. 

Het eerste deel is een mars, die gekenmerkt wordt door grote opzwepende en donkere karakter. Een aantal zeer tegenstrijdige karakters worden in dit deel tegenover elkaar gezet. Lyriek tegenover de scherpheid van de mars, donker en licht. Het lyrische thema is volgens Alma Mahler het thema dat haar moet representeren. De thema’s uit dit deel komen in latere delen terug, waardoor in dit deel alvast een grote lijn wordt geschetst voor de rest van de komende symfonie. Een symfonie die duidelijk vanuit zijn totaliteit benaderd moet worden. Het thema van de mars beeld het noodlot uit, gekenmerkt door de paukenslagen en tromgeroffel en de majeur-mineur wending. De twee thema’s worden in het eerste deel ontwikkeld, het deel is geschreven in sonatevorm, dus de thema’s gaan we weer terug horen. In de doorwerking worden deze thema’s uitgebuit en lijnrecht tegenover elkaar gezet. In het midden van het eerste deel is een rustpunt ingebouwd, een idyllische scène met koebellen. Het beeld is een gebergte in de mist, flarden van klank en thema’s komen door, met een grazende kudde vee. Het is een punt waarin de mens wordt opgelicht tussen de strijd tussen het noodlot en de gang van alledag. Daarna keren beide thema’s weer terug en worden nogmaals ontwikkeld in de coda. Na een korte afsluiting vallen we direct in deel 2. 

Het tweede deel is een scherzo. De opening laat een thematiek zien die we kennen uit het eerste deel. Door een andere behandeling verkrijgt het thema een ander karakter. De opening beeldt een duivelse geest uit, de geest van Mefistofeles. De registers waarin de instrumentalisten spelen klinken verwrongen.  De strijkers spelen flageoletten, en de blazers worden ook geacht een zo ruw mogelijke klank te produceren. De hoorn moeten een bijtend karakter krijgen en de houtblazers moeten krijsen. Het middendeel van het scherzo wordt gevormd door een trio, met de aanduiding ‘Altväterisch’ erboven, wat als ouderwets of oubollig kan worden vertaald. Het is volgens Alma Mahler een uitbeelding van hun spelende kinderen in het zand. Dat kan niet kloppen, want een van de twee kinderen van tijdens het schrijven van dit deel nog maar net geboren en de titel oubollig of ouderwets suggereert ook wat anders. Mocht het zo zijn dat Mahler wel een dergelijk beeld in gedachten heeft gehad dan zou het bijna luguber wezen. Het noodlot dat zelfs kinderen niet overslaat.

Het derde deel is een andante dat een rustpunt is in deze symfonie. Het noodlot-thema komt er niet in voor en de orkestratie is terughoudender en milder. Diverse thema’s met eigen karakteristieken komen langs. 

Het vierde en laatste deel is een anti-verhaal. Het deel begint triomfantelijk. De held die nog in leven is, de hoop is nog niet vervlogen. Direct in het begin echter al sonore klanken en twee diepe klokken die op afstand van het podium staan. Het is duidelijk dat er wat te wachten staat. Daarna een gedeelte gespeeld door de blazers, een stabiel koraalachtig stuk, dat de kracht van de held moet kenmerken. Daarna vangt een mars aan, gevolgd door een lyrischer gedeelte. Een kleurrijk verhaal waarin de held zijn opwachting maakt. Na een zacht gedeelte met ruisende bladeren en vallende druppeltjes, gespeeld door de harp en celesta wordt een crescendo opgebouwd. Na de eerste hamerslag wordt een groot koraal gespeeld op het noodlot-thema. De held heeft zijn eerste klap gekregen, maar richt zich weer op. De strijd barst los. Geagiteerde blazers en strijkers zwepen de strijd op. We horen tussendoor weer een mars, de held gaat moedig door met zijn strijd. Dan volgt de tweede klap, weer wordt een majestueus majeur akkoord gemeden. De strijd is nog niet gewonnen. Het orkest bouwt af, is de held gevallen? Nee, de muziek start weer op, om direct weer terug in rust te vallen. De held ligt op de grond, nog niet gedood, maar wel gewond. Na een thema gespeeld door de hoorn keren de klokken weer terug. De inleiding van het deel komt weer terug. We zijn weer terug bij af. Een rustig stuk dat daarna aanvangt wordt gekenmerkt door solo’s van hobo, hoorn en viool. Met deze nieuwe opleving van het stuk, voelen we mee met de oprichting van de held. De muziek zwelt weer aan, de held vervolgt moedig zijn weg. De triomfantelijke muziek laat ons de overwinning al bijna proeven. De triomfmars is gestart en de strijd bijna gestreden. Een groots slotkoraal wordt aangeheven, maar dan. Plots klinkt daar de derde slag. De held wordt neergehaald. De muziek slaat dood, de held is niet meer. Sombere donkere klanken kenmerken de laatste maten. Er is geen hoop meer, er is een einde gekomen aan het leven van de held. We verlaten het slagveld, bebloed, duister, grijs en doods. Een laatste zucht, gekenmerkt door een luide klap. Daarna niets dan leegte, stilte….

Met dit trieste einde laat Mahler zien dat zelfs de hoop neergeveld kan worden. Alle illusies verdwijnen dan plotsklaps. Het verhaal waarin de held altijd wint, is hier niet aan de orde. Waarop moeten wij ons richten, als alles van ons wordt genomen? De vierde symfonie, waarin de mens zich al in de hemel waande. De vijfde gekenmerkt door levensvreugde, om dan met de zesde een klap in ons gezicht te krijgen. Hoe hadden we erop kunnen vertrouwen dat alles goed zou gaan? Waarom hoopten we op die zekerheid? Heeft iemand ons verteld dat alles goed zou komen? Het lot bepaalt waarheen onze weg leidt. Tot leven of tot dood. Deze symfonieën dreven mij weer tot de pen. Het gedicht ‘De dood voor ogen’ behandelt de thema’s uit deze drie symfonieën. 

Amicaliter,

Wietse

De dood voor ogen

Het leven hier op aarde
Is soms de hemel gelijk
De dodelijke verwaandheid
Als menselijk levend lijk
Schatten wij het lot op waarde?
We leven als koningen
Geluk dat onze ziel bedrinkt
Dronken het leven door
Totdat de diepe doodsbel klinkt
Die we steeds opnieuw verdringen
Het genot van het leven 
Is het verdriet vermomd
Strijd tussen hemel en hel
Onwetend wanneer het komt
De dood van de aarde verdreven
Het kloppend mensenhart
Een speelbal van de goden
Pionnen van Olympus
Tactisch wordt gewogen
Het lot wordt getart
Onze dalen blijven eeuwig onbekend
Niemand zal weten waarheen, waartoe
Het lot kent geen openbaring
Het slaat pijnlijk en onverwachts toe
Een spoor met bloed doordrenkt
Liever door pijn het leven kennen
Dan door aards goed verblind
Dat is een beetje troost
Dat de mensheid verbindt
Voor even het lot verslagen

Wietse Ouwejan, 2021

Literatuur 
P. Franklin, The life of Mahler, Grove music online. 20 januari 2001, geraadpleegd op 19 december 2020, via https://www-oxfordmusiconline-com.access.authkb.kb.nl/grovemusic/view/10.1093/gmo/9781561592630.001.0001/omo-9781561592630-e-0000040696

Gustav Mahlerstichting, Beknopte biografie van Gustav Mahler, geraadpleegd op 19 december 2020, via https://gustavmahlerstichting.nl/content/6/beknopte-biografie-van-gustav-mahler?menuid=1&curid=7

Burkholder, J.P., Grout, D.J,, Palisca, C.V.(2014). A history of western music(9e editie). London: W.W. Norton & Company. Inc, p. 781-790.

Nakken, M. Mahler, Symfonie 6. Geraadpleegd 24 Februari 2021. Via: https://www.concertgebouworkest.nl/nl/mahler-symfonie-nr-6-1

Ontdek meer nieuws

Uit de kunst 2 – Mahler artikel

Amicae amicique,

Onder deze titel wil ik drie afleveringen schrijven, waarin ik kort de negen symfonieën van Gustav Mahler bijlangs ga. Mahler is een van de grootste componisten uit de laatromantiek en zijn werken zijn de vervolmaking van het symfonische concept van Beethoven. Waar hij tijdens zijn leven vooral bekend stond als buitenklasse dirigent, kennen wij hem voornamelijk door zijn grootse symfonieën. Elke aflevering zal 3 symfonieën beschrijven. Deze aflevering de symfonieën 4-6. Mocht u deze werken willen luisteren, trekt u er dan rustig een uur of langer voor uit. Aan het einde staat wederom een gedicht. 

(meer…)